Achtergrond informatie

 

In de vijftiger jaren was Dr. R. Voll uit Duitsland de eerste die met behulp van elektronische apparatuur probeerde acupunctuurpunten te meten. Hij is er zelfs in geslaagd nieuwe meridianen te ontdekken die niet in de klassieke acupunctuur werden beschreven. Daarnaast bevestigde hij door onderzoek dat bepaalde acupunctuurpunten van invloed waren op bepaalde organen en orgaanfuncties. Een doorbraak was dat deze punten ook gebruikt konden worden voor de diagnose. Een normaal functionerend orgaan gaf op zijn meetinstrument, met een schaalverdeling van 10 tot 100, een waarde aan rond de 50. Een orgaan met degeneratieve afwijkingen gaf een lagere uitslag of indien er sprake was van een ontsteking of irritatie juist een veel hogere waarde aan. Door een standaard aantal van deze punten na te meten werd energetische ofwel functionele diagnostiek mogelijk. Deze methode wordt thans met succes wereldwijd gebruikt en staat bekend als de E.A.V. (electro-acupunctuur vlg. Voll). Electroacupunctuur vlg. Voll is dus de synthese van de westerse elektronica en de klassieke acupunctuur.

Een nadeel van de E.A.V. is echter dat het erg tijdrovend en gecompliceerd is. Een andere Duitse arts, Dr. Helmut Schimmel, is het gelukt om dit systeem eenvoudiger te maken. In plaats van verschillende acupunctuurpunten voor de meting te gebruiken meet hij via één punt. Om de functies van de verschillende punten te vervangen, gebruikte hij bepaalde homeopathische verdunningen van organen. Wat bleek nu? Wanneer een bepaald orgaan onder stress stond, werd de oorspronkelijk gemeten normaalwaarde een stuk verlaagd. Dus als de uitslag van een normaalpunt 50 was, dan zakte deze waarde naar 30 of minder.

Terug naar Vega